Pages Navigation Menu

Wat is er na de waarheid (islam) behalve de verkeerde weg? (sjiisme)

De grote gunsten van Abu Bakr en Ali.

Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Boodschapper.

Er bestaat geen twijfel over het feit dat de nobele metgezel cAli ibn Abi Taalib één van de meest wijze en vastberaden mensen was. Hij staat bekend om zijn moed en heldhaftigheid. Hij was de eerste jongere om de Islam te betreden en verbleef vervolgens, voor de Hidjrah (emigratie van de Profeet, vrede zij met hem), dicht bij de Profeet (vrede zij met hem). Toen de Profeet (vrede zij met hem) Mekka verliet, vergezeld door Aboe Bakr, bleef hij achter en sliep in het bed van de Profeet (vrede zij met hem) om zodoende de veelgodenaanbidders, die de Profeet (vrede zij met hem) wilden vermoorden, voor de gek te houden. Tot zijn gunsten behoren de volgende die genoemd zijn in de overlevering van Sahl ibnoe Sacd, die overlevert dat hij de Profeet (vrede zij met hem) op de dag van Khaybar hoorde zeggen: “Ik zal de vaandel zeker aan een man geven door wiens handen Allah de overwinning zal schenken. Zij stonden vervolgens op om te kijken wie het zou worden gegeven, hopende dat hij het zou krijgen. Toen vroeg hij: ,,Waar is cAli?” Er werd hem verteld dat hij leed aan een oogaandoening. Hij beviel dat cAli bij hem zou worden gebracht. Hij (vrede zij met hem)spuugde vervolgens in zijn ogen en hij genas onmiddellijk, alsof er niets met hem aan de hand was.”                                                                                                                          (al-Boechari en Moeslim)

Net zoals cAli (moge Allah tevreden met hem zijn) veel gunsten en goede karaktereigenschappen had, hadden andere metgezellen ook andere gunsten en goede karaktereigenschappen. Tot de gunsten van Aboe Bakr behoort datgene wat is overgeleverd door Aboe Sacied al-Khoedriy, die zei: “De Profeet(vrede zij met hem) hield een preek en zei: “Allah heeft aan een slaaf de keuze gegeven tussen het wereldse leven en datgene wat bij Hem is, en hij koos voor datgene wat bij Hem is.” Toen begon Aboe Bakr as-Siddieq (moge Allah tevreden met hem zijn) te huilen. Waarop ik tegen mezelf zei: “Waarom huilt deze oude man omdat Allah de keuze aan een slaaf heeft gegeven tussen het wereldse leven en datgene wat bij Hem is en hij koos voor datgene wat bij Hem is?” De Profeet (vrede zij met hem) was deze slaaf, en Aboe Bakr was de meest geleerde onder ons. Hij (vrede zij met hem) zei: “O Aboe bakr, huil niet. Degene die mij het meest heeft begunstigd met zijn gezelschap en vermogen is Aboe Bakr. Zou ik een Khaliel (beste vriend)hebben genomen uit mijn Oemmah, dan zou dat Aboe Bakr geweest zijn, maar de broederschap van Islam en liefde voor hem volstaan. Laat geen deur naar de moskee open, behalve de deur van Aboe Bakr.”                                                                (al-Boechari en Moeslim)

Tot zijn gunsten behoort het dat hij de Profeet (vrede zij met hem) gezelschap hield tijdens de Hidjra (emigratie naar Medina), Zoals Allah zegt in de Koran wat als volgt vertaald kan worden:

“Als jullie hem (de Profeet) niet helpen: waarlijk, Allah heeft hem reeds eerder geholpen, toen degenen die ongelovig waren hen (uit Mekka) hadden verdreven, (en) hij de tweede van twee was toen zij zich in de grot bevonden, (en) toen hij tot zijn metgezel (Aboe Bakr) zei: “Treur niet, voorwaar, Allah is met ons.” Waarna Allah Zijn rust op hem deed neerdalen en Hij hem bijstand gaf met een leger dat jullie niet zagen. En Hij maakte het woord van degenen die ongelovig waren tot het laagste. En het Woord van Allah is het hoogste. En Allah is Almachtig, Alwijs.”                                                                                                         (Soerat at-Tauwbah: 40)

En cAmr ibn al-cAas (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) hem heeft aangewezen als de commandant van het leger van Dhaat al-Salaasil. Hij zei: “Ik kwam naar hem (vrede zij met hem) toe en vroeg: “Van welke persoon houdt u het meest? Hij antwoordde: “cAa’ishah.” Waarop ik vroeg: “Van de mannen?” Hij antwoordde: “Haar vader.” Ik vroeg: “Wie daarna?” Hij antwoordde: “Daarna cOmar ibn al-Khattaab.” Waarna hij andere mannen noemde.”                                                                                       (al-Boechari en Moeslim)

Het behoort ook tot zijn gunsten dat de Profeet (vrede zij met hem) hem aan het einde van zijn leven, tijdens zijn ziekte waar hij aan stierf, heeft aangewezen om de mensen in zijn plaats voor te gaan in het gebed. En hij vermaande degene die hier bezwaar tegen maakte, zeggende: “Draag Aboe Bakr op om de mensen voor te gaan in het gebed.”                                                      (al-Boechari en Moeslim)

Ook tot zijn gunsten behoort het wat door Anas ibnoe Maalik (moge Allah tevreden met hem zijn) is overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) samen met Aboe Bakr, cOmar en cOethmaan de berg Oehoed beklom, waarop deze onder hen begon te beven. Hij zei: “Wees standvastig, O Oehoed, want niemand anders dan een Profeet, een waarheidsgetrouwe en twee martelaren staan op jou.”                                                                                                                (al-Boechari)

Wat betreft cOmar ibn al-Khattaab (moge Allah tevreden met hem zijn), ook hij heeft vele vaststaande gunsten en goede karaktereigenschappen. Waaronder datgene wat is overgeleverd door Aboe Sacied al-Khoedriy (moge Allah tevreden over hem zijn), hij zei: “De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: “Terwijl ik sliep, zag ik de mensen aan mij voorgeleid worden, terwijl zij gewaden droegen. Bij sommigen bereikten ze (de gewaden) de borst en bij sommigen bereikten ze niet eens (de borst). En toen kwam cOmar ibn al-Khattaab voorbij met een gewaad die hij (over de grond) meesleepte. Ze (de metgezellen) vroegen: ,,Waar staan (de gewaden) in deze droom voor, o Boodschapper van Allah (vrede zij met hem)?” Hij antwoordde: ,,(Zij staan voor) het geloof!”                                                                                                                      (al-Boechari en Moeslim)

Tot zijn gunsten behoort ook wat door cAbd Allah ibnoe cOmar is overgeleverd, hij zei: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zeggen: “Terwijl ik aan het slapen was werd mij een beker melk gebracht, en ik dronk totdat ik zag dat het vocht uit mijn nagels kwam. Daarna gaf ik de rest aan cOmar ibn al-Khattaab.” Zij zeiden: “Hoe legde u dit uit, O Boodschapper van Allah?” Hij zei: “(Het is) kennis.”                                                                  (al-Boechari en Moeslim)

En het is overgeleverd door cAa’ishah (moge Allah tevreden met haar zijn) dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) pleegde te zeggen: “Onder de gemeenschappen die voor jullie hebben geleefd, waren er Moehaddathoen (mensen die geïnspireerd waren). Als er onder mijn gemeenschap van zulke mensen zijn, dan is cOmar ibn al-Khataab die een van hen is.”                              (Moeslim)

Ook zijn er vele andere bewijzen die de gunsten en de verheven positie van de metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) benadrukken. Het feit echter dat sommigen van hen superieur zijn ten opzichte van anderen, is iets dat logisch klinkt en ook bewezen is in de Islamitische Wetten. Hier is geen sprake van wensen en begeerten, echter dit dient teruggevoerd te worden tot de Islamitische Wetten, zoals Allah in de Koran zegt (interpretatie van de betekenis):

“En jouw Heer schept wat Hij wil en Hij verkiest (wie Hij wil). Het is niet aan hen om kiezen. Heilig is Allah en Verheven boven wat zij aan deelgenoten (aan Hem) toekennen.”                                                                                                                                             (Soerat al-Qasas: 68)

Wij dienen dus terug te verwijzen naar de Islamitische Wetten willen wij meer te weten komen over de positie van de metgezellen. Er is overgeleverd dat Ibn cOmar (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:“We vergeleken de mensen (onderling) in de tijd van de Profeet (vrede zij met hem). We beschouwden Aboe Bakr als de beste, daarna cOmar ibn al-Khataab, daarna cOthmaan ibncAffaan (moge Allah tevreden met hen zijn).”                                                                    (al-Boechari)

In een andere overlevering zei hij: “In de tijd van de Profeet (vrede zij met hem) stelden we niemand gelijk aan Aboe Bakr, daarna aan cOmar, daarna aan cOthmaan, daarna lieten wij de metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem), wij maakten geen onderscheid tussen hen.”                                                                                                                                        (al-Boechari)

Dit is de getuigenis van de metgezellen, zoals overgeleverd door cAbd Allah ibnoe cOmar. Aboe Bakr werd vóór alle andere metgezellen geplaatst, gevolgd door cOmar, daarna cOthmaan.

Laten we nu terugkeren naar cAli ibn Abi Taalib zelf om te kijken wat zijn eigen woorden waren. Het is overgeleverd dat Mohammed ibn al-Hanafiyyah (de zoon van cAli ibn Abi Taalib) zei: “Ik vroeg aan mijn vader: ,,Wie van de mensen was de beste na de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem)?” Hij antwoordde: “Aboe Bakr.” Ik vroeg: “Wie daarna?” Hij antwoordde: “DaarnacOmar.” Ik vreesde dat hij (daarna) cOthmaan zou zeggen dus zei ik: “Daarna ben jij?” Hij antwoordde: “Ik ben slechts een man onder de moslims.”                                         (al-Boechari)

Het is overgeleverd dat cAli zei: “Niemand wordt naar mij toegebracht en plaatst mij voor Aboe Bakr en cOmar of ik zal hem slaan als straf voor (het feit dat hij een) verzinner (is).” Sheich al-Islaam Ibn Taymiyyah zei: “Het is overgeleverd dat hij vanaf de minbar van Koefa pleegde te preken (en zei): “De beste van deze Oemmah, na haar Profeet is Aboe Bakr, daarna cOmar.”Dit is overgeleverd op zijn autoriteit door meer dan tachtig Isnaads en het is overgeleverd door al-Boechari en anderen. Vandaar dat de vroegere Shiecah het er allen over eens waren dat Aboe Bakr en cOmar superieur waren, zoals genoemd door meer dan één.                               (Manhaadj us-Soennah, 1/308)

Het is overgeleverd van Aboe Djoehayfah dat cAli de minbar besteeg, Allah prijsde en verheerlijkte, zijn zegeningen gaf over de Profeet (vrede zij met hem), en zei: “De beste van deze Oemmah na haar profeet is Aboe Bakr. En als tweede cOmar (moge Allah tevreden met hem zijn). En hij zei: “Allah maakt daarna wie Hij wil goed.”                                                                              (Ahmad)

Sheich Shoecayb al-Arnaa’oet zei dat de isnaad van deze overlevering sterk is.

Deze overleveringen van de Profeet (vrede zij met hem) en de Aathaar (uitspraken van de metgezellen, moge Allah tevreden zijn met hen allen) getuigen allemaal van de overtuiging van Ahl us-Soennah wal Djamaacah. Onder hen is geen meningsverschil over het feit dat de beste van deze Oemmah, na haar Profeet, Aboe Bakr as-Siddieq is en daarna cOmar, moge Allah tevreden zijn met alle metgezellen.

Wat betreft het idee dat Aboe Bakr en cOmar altijd cAli om advies vroegen omdat zij geen kennis hadden, dit wordt in geen enkele aathaar bevestigd. Wat echter wel is bevestigd, is dat de Profeet (vrede zij met hem) bevolen heeft dat Aboe Bakr de mensen voor moest gaan in het gebed ten tijde van de ziekte van de Profeet die tot zijn dood leidde. De Profeet (vrede zij met hem) zou deze taak niet zomaar aan iemand geven, behalve wanneer deze persoon genoeg kennis heeft over de bepalingen van het gebed. Ook is het bewezen dat de Profeet (vrede zij met hem) Aboe Bakr heeft aangewezen om de Hadj vóór de afscheidsbedevaart te leiden, en de Profeet (vrede zij met hem) zou nooit zomaar iemand zo een belangrijke functie aanwijzen tenzij hij de meest geleerde is over dit onderwerp.

Het is daarentegen overgeleverd dat cAli van Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hen beiden zijn) een aantal overleveringen heeft geleerd, aangaande bepaalde zaken. Het is overgeleverd dat Asmaa’ bintoe al-Hakam al-Fazaariy zei: “Ik hoorde cAli zeggen: ,,Ik was een man wie, wanneer ik een overlevering hoorde van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) Allah mij daarmee ten goede liet komen zoveel als Hij wilde dat het mij ten goede komen. En als een man van onder zijn metgezellen mij een overlevering vertelde, dan vroeg ik hem om daarbij te zweren, als hij dit deed dan geloofde ik hem hierop. En waarlijk Aboe Bakr overleverde mij, en Aboe Bakr spreekt de waarheid, hij zei: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem)zeggen: “Er is geen man die een zonde begaat, vervolgens opstaat, zichzelf reinigt, vervolgens het gebed verricht en om vergeving vraagt, of Allah zal hem vergeven.” Toen reciteerde hij dit vers (wat als volgt vertaald kan worden):

“En degenen die, als zij een zedeloosheid begaan hebben, of zichzelf onrecht aangedaan hebben, daarna Allah gedenken en dan vergeving voor hun zonden vragen, en niemand vergeeft de zonden behalve Allah. En zij volharden niet in wat zij deden, terwijl zij (het)weten.”                                                                                                      (Soerat Aali-cImraan: 135)

(at-Tirmidhi, hasan verklaart door al-Albaani)

Ibn cOmar overlevert dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: “Waarlijk, Allah heeft de waarheid geplaatst op de tong van cOmar en in zijn hart.”
(at-Tirmidhi en sahieh bevonden door al-Albaani)

En hiervoor hebben we reeds de woorden van de Profeet (vrede zij met hem) aangehaald wat betreftcOmar: “Onder de gemeenschappen die voor jullie hebben geleefd, waren er Moehaddathoen(mensen die geïnspireerd waren). Als er onder mijn gemeenschap van zulke mensen zijn, dan iscOmar ibn al-Khataab die een van hen is.”                                                                      (Moeslim)

Het punt is dat de overtuiging van Ahl us-Soennah wal Djamaacah, waarover geen meningsverschil bestaat, is dat de beste van deze Oemmah, na haar Profeet, Aboe Bakr is, gevolgd door cOmar, moge Allah tevreden met hen beiden zijn.

Sheich al-Islaam ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei: “Geen van de erkende geleerden heeft gezegd dat cAli meer kennis en wijsheid had dan Aboe Bakr en cOmar, of zelfs dan Aboe Bakr alleen. Zij die beweren dat hierover wel degelijk consensus over bestaat behoren tot de meest onwetende en leugenachtige mensen. Daarentegen hebben meerdere geleerden te kennen gegeven dat er wel consensus bestaat dat Aboe Bakr as-Siddieq geleerder was dan cAli, zoals Imam Mansoer ibn cAbd al-Djabbaar as-Samcaani al-Marwadhiy, één van de grote geleerden van de Shaafici madhhab, in zijn boek ‘Taqwiem al-Adillah calaa al-Imaam’: er bestaat consensus onder de geleerden van de Soennah dat Aboe Bakr as-Siddieq geleerder was dan cAli. Ik ken geen enkele bekende imam wie dit betwist.

Hoe kan het anders dat Aboe Bakr as-Siddieq in de aanwezigheid van de Profeet (vrede zij met hem) religieuze uitspraken deed, zaken gebood en verbood, oordelen gaf en preken hield, zoals hij dit pleegde te doen wanneer hij met de Profeet (vrede zij met hem) erop uittrok om de mensen uit te nodigen tot de Islam, wanneer zij samen emigreerden, op de dag van Hoenayn en tijdens andere gelegenheden. De Profeet (vrede zij met hem) bleef toen stil en keurde goed wat Aboe Bakr zei en niemand anders genoot zo een status.

Wanneer de Profeet (vrede zij met hem) consulteerde met degenen van kennis onder de metgezellen, dan pleegde hij als eerste Aboe Bakr en cOmar te raadplegen omdat zij de eersten waren die in de aanwezigheid van de Profeet (vrede zij met hem) spraken over zaken van de Islam vóór de andere metgezellen, bijvoorbeeld toen hij (vrede zij met hem) hen consulteerde over de gevangenen van Badr. De eersten die hierover begonnen te praten waren Aboe Bakr en cOmar. Dit gebeurde ook tijdens andere gelegenheden.

Het is overgeleverd in Sahieh Moeslim dat de metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem) met hem op reis waren en hij zei: “Als de mensen gehoorzaam zijn aan Aboe Bakr en cOmar, dan zullen zij zeker rechtgeleid worden.”

Tevens is het overgeleverd door Ibn cAbbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) dat hij religieuze uitspraken pleegde te doen die gebaseerd waren op het Boek van Allah. Als hij niets kon vinden, dan zocht hij dit in de Soennah van de Profeet (vrede zij met hem). En als hij hierin niets kon vinden, dan deed hij religieuze uitspraken op basis van de religieuze uitspraken van Aboe Bakr en cOmar. En hij pleegde dit niet te doen bij cOthmaan en cAli. En Ibn cAbbaas was Habr al-Oemmah (geleerde van de gemeenschap) en de meest geleerde van de metgezellen van zijn tijd. En hij pleegde religieuze uitspraken te doen aan de hand van de woorden van Aboe Bakr en cOmar en gaf hen voorrang boven de andere metgezellen.

Ook is overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) smeekbede deed voor Ibn cAbbaas en zei:
“O Allah, geef hem kennis over het geloof en leer hem de juiste interpretatie van de Koran.”                                                                                        (Majmoec al-Fataawaa, boekdeel 4, blz. 398)

En Allah weet het beter.

Sheich Mohammed Saalih al-Moenajjid (vertaald door Team Al-Yaqeen)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *